~ Gladneuzen ~
 
De Chiroptera

Bouw van de vleermuis

Geschiedenis van de vleermuis

Onderverdeling

Vliegen en jagen

Een jaar in het leven van de vleermuis

Bedreigingen

Fabeltjes & bijgeloof

Graaf Dracula

Soorten vleermuizen

Problemen met vleermuizen

Vleermuizenlinks

De Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Afmetingen:
- kop-romp: 4,2-5,3 cm
- staart: 3,7-5,5 cm
- spanwijdte: 24-28,5 cm
- gewicht: 4,6-11,3 gr
- geboortegewicht: 1,5-2 gr
- maximumleeftijd: 30 jaar
- gemiddelde leeftijd: 4 jaar


De Gewone Grootoorvleermuis is een middelgrote vleermuis met opvallende, lange oren die aan de binnenkant een wimperachtige beharing hebben. Als ze niet vliegen, zijn hun oren naar achteren gebogen en tijdens de winterslaap stoppen ze zelfs mee onder hun vleugels. Enkel kort voordat ze uitvliegen en tijdens het vliegen zelf zijn hun oren opgericht. De Gewone Grootoorvleermuis heeft een lange, losse vacht, die op hun rug grijsbruin en op hun buik lichtgrijs, met soms een gelige schijn, is. Ze hebben licht vleeskleurige lippen en een licht grijsbruine vlieghuid. Je vindt Gewone Grootoorvleermuizen in vrijwel heel Europa, ook in Groot-Brittannië en Ierland. In Zuid-Italië en Griekenland werden ze echter nog niet gevonden. Bij ons, in de lage landen, zijn ze algemeen verspreid maar nooit in grote aantallen.

Biotoop: deze vleermuizen verkiezen open loof- en naaldhoutbossen in laagland en middelgebergte. Je komt ze ook wel tegen in parken en tuinen, maar ze zijn niet gebonden aan menselijke nederzettingen. 's Zomers installeren ze zich (kraamkolonies) in boomholten, vogel- en vleermuiskasten en op zolders, en soms ook wel eens in een bunker. De invliegopening kan verborgen worden door takken en bladeren en kan, ook bij boomholten, dicht bij de grond zijn. De "eenzaten" kan je vinden in rotsspleten, achter vensterluiken en in spleten in gebouwen. 's Winters trekken ze zich terug in kelders, groeven, grotten en bunkers. Je vindt ze dan zelden in dikwandige holle bomen. Hun ideale temperatuur is 2 à 5 °C Celsius, maar voor een dag of 2 kunnen ze ook temperaturen tot -3,5 °C verdragen. In hun verblijfplaats vind je ze in spleten geklemd, tussen bodempuin en ook diep in nauwe pijpen, soms hangen ze ook wel vrij aan muren en plafonds. Ze leven vaak alleen en eigenlijk zelden in kleine groepjes, die dan bestaan uit 2 tot 3 dieren. Soms mengen ze zich met andere soorten. Ze starten hun winterslaap vanaf oktober/november en ontwaken eind maart/begin april.

Vrouwtjes zijn geslachtsrijp vanaf hun 2e levensjaar. De paartijd van de Gewone Grootoorvleermuis is in de herfst en kan duren tot in het voorjaar. In april/mei betrekken ze hun kraamkamers met 10 à 50 vrouwtjes, mogelijk tot 100. De dieren zijn verwant aan mekaar en kennen elkaar. De mannetjes brengen de zomer alleen door en je vindt ze slechts heel zelden terug in de kraamkamers. Vanaf midden juni worden de jongen geboren. Gewone Grootoorvleermuizen krijgen 1 jong per keer en zelden 2. De jongen openen hun ogen op hun 6e levensdag. Op het einde van hun vierde week, beginnen ze te vliegen. Bij de geboorte zijn hun oorschelpen nog slap en deze richten zich pas rond de 11e dag op.

De Gewone Grootoorvleermuis vliegt uit in de late schemering en vaak ook pas als het al echt donker is. Ze fladderen langzaam laag tegen de grond, zijn behendig in dichte begroeiing en kunnen op één plaats in de lucht blijven hangen (zoals de Torenvalk; "bidden"). Hun jachtgebied beslaat gemiddeld zo'n 4 ha.
Ze vangen vooral vlinders, tweevleugeligen en oorwormen, maar eten ook spinnen, rupsen en overdag actieve vliegen en dagvlinders. Ze jagen in open ruimten, maar pikken ook prooien op vanaf een oppervlakte, zoals bladeren en de bodem. Omdat ze hun prooien vaak op hun vaste eethangplaatsen verorberen, zijn daar meestal ook vleugelresten te vinden.




terug naar boven