![]() |
|
|---|---|
|
De Chiroptera Een jaar in het leven van de vleermuis
|
De Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Afmetingen:
Biotoop: dit is een bosbewonende vleermuis die je ook in grotere parken vindt. Als zomerverblijf verkiezen ze boomholtes maar maken net zo goed gebruik van vleermuiskasten. 's Zomers worden ze ook wel in spleten tussen betonplaten van hoge nieuwbouw gevonden. Ze overwinteren in dikwandige bomen, diepe rotsspleten en spleten in muren van gebouwen. In grote steden vindt men ze in luchtschachten van hoge nieuwbouw en in kerken. Vanaf oktober/half november houden ze hun winterslaap, tot half maart/begin april. Soms overwinteren ze samen met Gewone dwergvleermuizen. Vrouwtjes zijn al in het eerste levensjaar geslachtsrijp, maar werpen soms pas in het tweede jaar jongen. Ook mannetjes kunnen in het eerst levensjaar al aan de paring deelnemen. De paartijd duurt van augustus tot oktober. Een mannetje bezet enkele weken een paarkwartier (meestal een boomholte) en verdedigt dat tegenover andere mannetjes en stoot aan de ingang van het kwartier of in de vlucht binnen zijn territorium lokgeluiden uit. De ingang van het kwartier wordt met een riekende afscheiding gemarkeerd. Gemiddeld verblijven er zo'n 4 tot 5 (soms tot 20) vrouwtjes bij één mannetje voor 1 à 2 dagen. Vanaf november paren ze ook in het winterverblijf. Sommige vrouwtjes kunnen door meerdere mannetjes bevrucht worden en daarom hebben tweelingen vaak een andere vader. De mannetjes die niet aan de paring deelnemen, leven in groepen. Vanaf april wonen de mannetjes en de vrouwtjes bij mekaar in zomerverblijven en vanaf half mei betrekken de vrouwtjes de kraamkamers en verblijven de mannetjes elders, in kleine groepjes. Half juni/begin juli worden de jongen geboren en in Midden-Europa zijn dat er gewoonlijk 2, in Groot-Brittannië slechts 1. Aan het einde van hun 4e levensweek, vliegen de jongen voor het eerst uit. Rosse vleermuizen vliegen vroeg uit, soms zelfs vóór zonsondergang. Gewoonlijk jagen ze gedurende 1 à 1,5 uur en 's zomers vliegen ze vaak nog een tweede keer uit. Ze jagen boven weiden en meren, maar ook wel boven boomkruinen. Hun jachtgebied kan tot op 6 km van hun verblijfplaats liggen. Ze voeden zich met vliegende insecten, vooral tweevleugeligen, meestal dansmuggen en kokerjuffers, kevers en vlinders. |